Waar gaat het heen met de stad?

Stad

Onlangs bereikte Nederland de mijlpaal 17 miljoen inwoners. Het merendeel van hen zal in de stad leven. Welke kant gaat het op met verstedelijking in Nederland? De afgelopen weken is er in de media veel interessants over gezegd. Hier een kort overzicht. Zef Hemel (Universiteit van Amsterdam) beargumenteert vandaag op AT5 dat Amsterdam naar twee miljoen inwoners moet groeien, een verdubbeling. Alleen zo kan de hoofdstad internationaal meedoen met steden als Londen en Parijs. Coen Teulings (Universiteit van Cambridge en Amsterdam) komt in NRC Handelsblad vanuit een economisch perspectief tot eenzelfde conclusie. Er moet meer in de banaan Utrecht-Amsterdam-Haarlem-Leiden-Den Haag-Delft gebouwd worden – daar is er immers veel vraag. (Een interessante reactie hierop is overigens die van Wim Derksen (Erasmus Universiteit): Teulings vergeet dat ruimtelijk beleid iets wezenlijks anders is dan economisch beleid.) Naast al het succes van deze steden berichtte Verkeersnet daarentegen vorige week over nieuws van het CBS dat meer mensen vertrekken uit de grote steden. Friso de Zeeuw (TU Delft) en Rink Drost (Bureau Stedelijke Planning) verklaren in Het Financieele Dagblad deze trek naar randgemeenten als Purmerend, Hoofddorp en Nieuwegein, omdat mensen op zoek zijn naar “gewone, rustige buurten”. Mijn voorlopige conclusie: het besef is wel ingedaald dat sommige regio’s het beter doen dan andere (de wereld is niet plat), maar over de vraag hoe we de groeiende stadsregio’s willen vormgeven lijken twee ‘kampen’ te ontstaan. Gaan we voor verdichten en verhogen in de (binnen)steden, of zorgen we voor een goede inpassing van suburbanisatie rondom deze steden?

Bovenstaande illustratie is van Hein de Kort uit Het Financieele Dagblad (17 maart 2016).

Advertenties

Het île de la cité van Nijmegen

RuimtevoordeRivierNijmegen

Vandaag wordt het Ruimte voor de Rivier project bij Lent en Nijmegen officieel geopend. Gisteren liepen er ook al veel nieuwsgierigen over het nieuwe eiland (“i-Lent”) en de nieuwe bruggen. De waalstrandjes aan de overkant van Nijmegen waren al populair, maar Nijmegen heeft er nu echt een nieuw stadspark bij. Op het nieuwe eiland kan je helemaal doorlopen van de oude Waalbrug naar de nieuwe – oost ontmoet west en vice versa. Veel Nijmegenaren lijken trots, de Gelderlander is positief. De aankomende maanden kan het nieuwe eiland zich gaan bewijzen: wordt het echt een ‘île de la cité’ (à la Parijs), zoals oud-wethouder Jan van der Meer het noemde? Nijmegen-Noord ontwikkelt zich razendsnel, elke maand staan er weer nieuwe gebouwen. Nijmegen houdt dus niet meer op als je de Waalbrug overfietst. Was het vroeger ‘helemaal de Waalbrug over’, nu is het nog ‘slechts de Waalbrug over’. Een rare ontwikkeling, voor mij als geboren en getogen Nijmegenaar. Ik vraag me vooral af hoe de ‘oude’, harde kern van Lent dit ervaart. De plannen lijken met name vanuit Nijmegen geredeneerd, waarin het dorp Lent slechts één wijk is in het geheel. Het NS-station ten noorden van de Waal heet nu nog Nijmegen Lent, maar hoe lang zal dit nog blijven?

Lees meer over het project op de Ruimte voor de Waal website of via de Gelderlander.

Adaptief worden: een lastige balans

JamesMarch.jpg

‘Adaptief denken’ is steeds populairder; het lijkt echt op een nieuw discours in de planologie en, breder, de bestuurskunde. Centraal staat het idee dat je je moet kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden. En dat die omstandigheden continu veranderen, dat lijkt wel duidelijk. Hoe moeten we op anticiperen op klimaatverandering? Gaat de zelfrijdende auto echt zo’n grote invloed hebben op ons transportgebruik? Opvallend is dat er, gegeven deze situatie, weinig wordt geput uit de organisatieliteratuur. Frans Berkhout en collega’s schrijven echter al in 2006 dat het verkrijgen van adaptieve capaciteit sterk lijkt op een proces van organisational learning. In de organisatieliteratuur is veel te vinden over hoe organisaties zich moeten verhouden tot hun omgeving. Een voorbeeld is het vaak aangehaalde argument uit 1991 van James March (Stanford University). Hij stelt dat, in een veranderende omgeving, het belangrijk is zowel nieuwe paden te blijven verkennen (exploratie), alsmede het bestaande te verbeteren (exploitatie). Het is niet zozeer de keuze tussen één van twee, het gaat om het zoeken naar een optimale balans. Het opbouwen van adaptieve capaciteit wordt dan een balanceeroefening waarin organisaties ruimte geven voor nieuwe initiatieven en experiment, terwijl ze ondertussen ook hun bestaande praktijk bijschaven – alles om goed in te kunnen spelen op nieuwe omstandigheden.

Op de fiets door Groningen

fietsstad

Marco te Brömmelstroet (Universiteit van Amsterdam) observeert in een bijdrage aan Ruimtevolk dat fietsonderzoek steeds meer (academische) aandacht krijgt in Nederland. Groningen is op dit moment druk zichzelf te promoten als dé fietsstad van Nederland. Zo’n 61% van alle verkeersbewegingen worden in de stad met de fiets afgelegd. The Guardian schreef vorig jaar een enthousiast verhaal over het verkeerscirculatieplan uit de jaren ’70, geïnitieerd door de toen pas 24-jarige Max van den Berg. De fiets kreeg toen ruim baan in het centrum. Onlangs las ik een kritische beschouwing van Groningen als fietsstad op het weblog Bicycle Dutch. De schrijver, Mark Wagenbuur, had zich goed verdiept en stipt mooi alle fietsknelpunten in de stad aan. Is in Groningen de wet van de remmende voorsprong van kracht? Groningen is een compacte studentenstad, wat al veel fietsverkeer verklaart. De weg ingezet in de jaren ’70 heeft dit alleen maar versterkt. Wagenbuur constateert dat de laatste jaren er weinig is gebeurd. Geen autovrije straten, fietsers en bussen die elkaar in de weg zitten, lastige en onveilige kruispunten voor fietsers. Nee, zo concludeert Wagenbuur, Groningen heeft weinig kans om de prijs ‘Fietsstad 2016’ binnen te halen.

Het blog van Marco te Brömmelstroet is hier terug te lezen. Is Groningen dé fietsstad van Nederland? Hier een kritische blik (in het Engels). Ook the Guardian schreef over Groningen als fietsstad.

Een nieuwe fase voor infrastructuurbeleid

VONKWe belanden in een nieuw tijdperk van infrastructuurplanologie, zo stel ik in mijn eerste wetenschappelijke paper. ‘Traditionele’ transportinfrastructuurnetwerken als vaar-, spoor- en snelwegen zijn zo goed als af in de meeste westerse landen. Als we kijken naar de nationale vaarwegen zijn de belangrijkste schakels gebouwd in de loop van de vorige eeuw; de afgelopen dertig jaar zijn we vooral druk geweest met het ‘finetunen’ van het netwerk. Dit betekent op sommige plekken grotere kunstwerken (infrastructuur) om de grotere schepen een plek te geven. Ook kwam de integrale benadering op, waarin meer aandacht is voor de omgeving (‘gebiedsgericht werken’). Er komt echter een grote, nieuwe uitdaging aan: het vervangen van bestaande infrastructuur. Hoe gaan we hiermee om? De huidige praktijk, vaak nog gericht op expansie, lijkt niet altijd meer adequaat. Infra-beheerders zoals Rijkswaterstaat zijn dan ook bezig zich aan te passen aan deze nieuwe context. Er worden nieuwe beleidsrichtingen verkend, maar veel lijkt nog op de bestaande manier van werken. Het gevaar bestaat dat die manier van werken incongruent raakt met de staat van het infranetwerk, terwijl afstemming tussen die twee noodzakelijk is.

Een eerste versie van dit argument is te vinden in een bijdrage aan het CVS Congres (november 2015) van Tim Busscher, Jos Arts en mij. Op het Deltaportaal kan je zien welke natte kunstwerken moeten worden vervangen de aankomende decennia.

Een barokke harmonie van initiatieven

BeitskeBoonstra

“Iedereen is een planoloog”, stelde Beitske Boonstra tijdens een seminar afgelopen week in Groningen. Boonstra promoveerde onlangs in Utrecht op de rol van de planologie in een tijdperk van actief burgerschap (denk: de energieke samenleving, de participatiesamenleving). Wordt de planoloog overbodig door al die initiatieven van onderop? Nee, volgens Boonstra, die initiatieven onderzocht in Almere, Birmingham en Kopenhagen. Haar onderzoek past in een bredere trend waarin de planoloog gezien wordt als een change manager en de nadruk komt te liggen op ‘worden’ in plaats van ‘zijn’. Planologen zouden initiatieven moeten verbinden en zorgen voor consistentie tussen die initiatieven. Niet om er een uniform geheel van te maken, maar een ‘barokke harmonie’. Zie het als verschillende, onregelmatige initiatieven die samen assemblages vormen. Bij mij rees de vraag hoe het zit met de democratische legitimiteit van deze initiatieven. Participeren alleen zij die de weg weten binnen overheden, en binnen de lijntjes kleuren van diezelfde overheden? Zijn het – in de woorden van Menno van der Veen en Jan Willem Duyvendak – vooral de prosecco drinkende, bakfietsende burgers die participeren? Planologen zouden juist ook aandacht moeten hebben voor de zwakkeren in de samenleving: hoor je deze groepen burgers wel terug in zo’n barokke harmonie?

Lees op ArchiNed een blog van Beitske Boonstra waarin ze haar ideeën uitlegt. Menno van der Veen en Jan Willem Duyvendak schreven in 2014 een kritisch stuk over de participatiesamenleving in De Groene Amsterdammer.

Collectief watercrises te lijf

HenkOvink

Vandaag hield Henk Ovink de Planologielezing, georganiseerd door de vakgroep Planologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Ovink is de eerste Nederlandse watergezant; hij reist de wereld over om de urgentie van goed waterbeleid te benadrukken en initiatieven met elkaar te verbinden. Mocht de impact van de watercrises, nu en in de toekomst, nog niet duidelijk zijn, dan werd dat het wel tijdens zijn presentatie. Interessant was Ovinks observatie dat deze crises met elkaar samenhangen, en zich vaak uiten op het regionale of stedelijke niveau. Echt een uitdaging voor planologen dus, die gewend te zijn integraal te kijken en op deze niveaus opereren. De crux is om collectief en in samenwerking watercrises aan te vliegen, op een integrale en inclusieve manier. Dit vraagt wel om een cultuuromslag. Voorbeelden als het door Ovink mede-ontwikkelde Rebuild by Design uit New York/New Jersey bieden inspiratie. Ook het Nederlandse waterbeleid is een grote bron van inspiratie, van de oprichting van waterschappen (de eerste daterend uit 1122!) tot recente voorbeelden als Ruimte voor de Rivier. Deze voorbeelden tonen de transformative approach die Henk Ovink voorstaat; een benadering die noodzakelijk is om watercrises het hoofd te bieden.

Om een indruk van Henk Ovink’s werk te krijgen, bekijk zijn Twitter account. Meer over Rebuild by Design weten? Lees het recent verschenen boek. Informatie over de Planologielezing is hier te vinden.