De 5 (14)

Het is weer het einde van de maand, dus opnieuw vijf nieuwe nummers die ik veel geluisterd heb op werk. Luister de hele lijst terug op Spotify.

Hunee – Rare Happiness

Een van mijn favoriete DJ’s bracht in 2015 ook een album uit: Hunch Music. Met dit housenummer.

Jocelyn Brown – Somebody’s Else Guy

Heerlijk disconummer uit 1991, ontdekt in een dj-set van Jayda G.

Baio – Needs

Een van de bandleden van Vampire Weekend kwam onlangs met zijn tweede album. Ik kwam het debuutalbum tegen met dit nummer erop.

Elis Regina – Aprendendo a Jogar

Ik kende haar dochter Maria Rita al, maar door mijn bezoek aan Lissabon ben ik ook begonnen met luisteren naar een van de diva’s uit Brazilië.

Arcade Fire – We Don’t Deserve Love

Hun nieuwe album roept gemengde reacties op, maar er staan nog steeds prachtige nummers op. Helemaal op het eind, met Put Your Money On Me en deze We Don’t Deserve Love.

Nooit meer ‘uit’

bestkeptsecret

“Infinite content / We’re infinitely content,” zingt Win Butler van Arcade Fire op hun nieuwe LP die veelzeggend Everything Now heet. Nu we door heel Europa zonder extra kosten data kunnen roamen hebben we ook daar nog gemakkelijker toegang tot het internet. Ik merkte het zelf onlangs in Lissabon, waar je in de metro vrolijk kan Whatsappen met Nederland en je nog snel even dat adresje op Google Maps kan opzoeken. De Volkskrant schreef dit weekend dat het continu verbonden zijn niet alleen een lust is, maar ook als een last wordt ervaren. Plekken worden hierdoor anders beleefd: de ‘sense of place‘ van mensen (kortweg hoe mensen een plek ervaren, een term uit de culturele geografie) wordt veel meer een hybride van de ervaringen op een concrete plek vermengd met interacties met je digitale contacten. Je geniet niet alleen van je biertje op dat mooie pleintje, je volgers kunnen live meegenieten via sociale media en beïnvloeden zo (indirect) hoe jij dat biertje daar drinkt. In de woorden van Arcade Fire: we hebben alles direct tot onze beschikking en we zouden niet meer zonder kunnen.

Het IJ over

brugoverij

Heeft de gemeente Amsterdam twee petten op? Het Parool schreef eerder deze week dat de Amsterdamse gemeenteraad in grote meerderheid voor heeft gestemd voor een brug over het IJ om Amsterdam met Noord te verbinden. Het Rijk heeft liever een tunnel, omdat de brug de scheepvaart kan hinderen. Op dit moment wordt een gigantische zeesluis in IJmuiden gebouwd zodat de Amsterdamse haven en de cruiseterminal PTA grotere schepen kunnen ontvangen. Hier betalen de provincie Noord-Holland én de gemeente Amsterdam ruim aan mee. Zoals eerder in het Parool te lezen was: ‘Aan de voorkant zo’n grote investering doen en dan aan de achterkant nieuwe hobbels opwerpen…’ De gemeente is aandeelhouder van het Havenbedrijf Amsterdam en lijkt hiermee enigszins in de spagaat te zitten – maar voor zover mij bekend wordt dit nauwelijks genoemd in de media. Enerzijds de pontjes naar Noord willen ontlasten, anderzijds de economie stimuleren via de havens. De druk op Noord is blijkbaar zo hoog dat dit nu prevaleert. Mocht de brug er komen, dan pleit het Rijk voor een hoogte van 11,35 meter. Minister Schultz had het daarom al over een beklimming van de Mont Ventoux. De gemeente staat niet direct negatief tegenover die hoogte: “Als wij met 11,35 een hele hoop discussie wegnemen is dat het collectief belang, dan gaan we daar naar kijken”, aldus wethouder Van den Burg.

Instituties in de planologie

AESOP2017-1.jpg

De laatste dag van het AESOP congres in Lissabon hingen we met de benen buiten in een klein zaaltje waar hoogleraar Willem Salet (Universiteit van Amsterdam) een rondetafelgesprek leidde ter geleide van zijn boek Handbook on Institutions in action. Dit boek zal binnenkort bij Routledge verschijnen en is tot stand gekomen naar aanleiding van Salets emeritaat. De hoofdstukken in het boek zijn bijna allemaal geschreven door grote gevestigde namen (zoals Patsy Healey, Stefano Moroni en André Sorensen). Een paar auteurs namen deel aan de discussie in Lissabon en lichtte een tipje van de sluier in presentaties van slechts drie minuten. Elke presentator conceptualiseerde instituties net weer wat anders. De een legt de nadruk op een sociologisch perspectief (Healey’s relationele blik op planning), de ander vindt dat instituties maar een kleine rol spelen (het liberale denken van Moroni). Sorensen keek dan weer naar de geschiedenis en padafhankelijkheden (Sorensen). Luca Bertolini neemt ook een evolutionair perspectief, maar benadrukt weer meer het belang van experimenten die bestaande instituties onder druk zetten. De sessie toonde aan dat er vele institutionele theorieën bestaan. De planologie ‘shopt’ veelvuldig in deze theorieën, maar iedere onderzoeker vist er net wat anders uit. Knap hoe Salet bij elkaar wist te brengen. Gegeven al die verschillende invalshoeken lijkt het boek dan ook een mooie introductie te worden voor geïnteresseerden in de rol van instituties in de planologie.

Het nieuwe normaal

neoliberalism

Een van mijn wetenschappelijke artikelen kwam deze week terug van het tijdschrift met de (gelukkig voorlopig positieve) beoordeling van een aantal anonieme reviewers. Het paper beschrijft onder andere hoe Rijkswaterstaat nadrukkelijk het gedachtegoed van ‘new public management’ heeft geïncorporeerd. Een van de reviewers was verbaasd over hoe ver Rijkswaterstaat daar in is gegaan (of gaat). Het overhevelen van verantwoordelijkheden richting de markt en het agentschap opereren als een bedrijf maakt dat Rijkswaterstaat veel meer een procesmanager is geworden in plaats nog op de (technische) inhoud te focussen. De reviewer liet de term ‘hollowing out of the state’ vallen. Ook op het AESOP congres, vorige week in Lissabon, was men kritisch over zulke neoliberale ontwikkelingen. Vaak moet ik bij presentaties hierover zuchten, omdat het naar mijn smaak regelmatig meer ideologie dan wetenschap is. Op AESOP werd desondanks terecht gesteld dat het neoliberalisme inmiddels zo genormaliseerd is dat we het gedachtegoed allemaal bewust of onbewust gebruiken. Voorbeelden zijn het denken in outputs (liefst SMART!) en principes als ‘value for money’. Het is belangrijk om te realiseren dat dit ‘nieuwe normaal’ niet altijd de norm is geweest – en dat het neoliberalisme aan bepaalde zaken meer waarde hecht dan andere. De wetenschap speelt hier wel degelijk een rol in, door deze ontwikkelingen kritisch te ontleden.

De toekomst is technologie

aesop2017.jpg

Simin Davoudi, hoogleraar aan Newcastle University (Verenigd Koninkrijk), hield een mooie openingsspeech op het jaarlijkse AESOP congres, dat op dit moment plaatsvindt in Lissabon. Haar verhaal richtte zich op verbeelding en het creëren van collectieve toekomstbeelden (social imaginaries). Vanuit een relationele blik bekijkt ze hoe gemeenschappen worden gevormd, die zich ook ruimtelijk manifesteren. Een vaak aangehaald voorbeeld is de natie-staat. Gedeelde beelden voor de toekomst zijn onmiskenbaar normatief: ze geven een beeld van hoe het zou moeten zijn. Er zit daarmee een duidelijke handelingscomponent in: als we deze richting op willen, dan zullen we daar naar handelen. Davoudi benoemde dan ook dat toekomstbeelden ‘self-fulfulling prophecies’ zijn. We moeten ze daarom kritisch ontleden en afvragen: willen we deze kant op? Deze vraag kon meteen worden beantwoord tijdens de tweede openingsspeech. José Manuel Viegas, secretaris-generaal van het Internationale Transport Forum (ITF; gelieerd aan de OESO), gaf een inkijkje in de toekomst van onze mobiliteitssystemen. Het ITF ziet veel in gedeelde automobiliteit (zoals de ‘taxibus’), slimme manieren van rekeningrijden en een duurzame vorm van planologie. Hoewel Viegas zei geen ‘technologie-believer’ te zijn, werden zijn voorbeelden sterk door technologie gedreven – alsof ze onontkomelijk zijn. Maar zoals Davoudi benadrukte: welke kant willen wij zelf als gemeenschap op?

Dag Leviathan

Leviathan.jpg

Afgelopen dagen vond de AESOP PhD Workshop 2017 in Aveiro (Portugal) plaats. Ook hier leken de planologen weer in een identiteitscrisis. Een quote in de presentatie van hoogleraar Alessandro Balducci (Politecnico di Milano) gaf deze crisis goed weer: “We try to control the urban context of the 21st Century, with the governments of the 20th Century, with the boundaries of the 19th Century.” De tijd dat planologen als een Leviathan kon ‘heersen’ zijn dus voorbij – iets wat terugkwam in de presentatie van Benjamin Davy (Technische Universität Dortmund). Dat besef is inmiddels wel doorgedrongen bij iedereen, maar wat kan of moet een planoloog dan doen? Alles relateert tegenwoordig aan elkaar, grenzen zijn fluïde geworden, vele partijen zijn betrokken bij het transformeren van plekken. Weet daar je weg maar in te vinden. Het is een prachtige paradox: de planologie, ontstaan om onze leefomgeving iets van coördinatie te bieden, voelt die coördinatie uit die vingers glippen. Fernando Nogueira (Universidade de Aveiro) verwoordde het volgens mij dan ook goed: de planoloog moet vooral nederig zijn.