Instituties in de planologie

AESOP2017-1.jpg

De laatste dag van het AESOP congres in Lissabon hingen we met de benen buiten in een klein zaaltje waar hoogleraar Willem Salet (Universiteit van Amsterdam) een rondetafelgesprek leidde ter geleide van zijn boek Handbook on Institutions in action. Dit boek zal binnenkort bij Routledge verschijnen en is tot stand gekomen naar aanleiding van Salets emeritaat. De hoofdstukken in het boek zijn bijna allemaal geschreven door grote gevestigde namen (zoals Patsy Healey, Stefano Moroni en André Sorensen). Een paar auteurs namen deel aan de discussie in Lissabon en lichtte een tipje van de sluier in presentaties van slechts drie minuten. Elke presentator conceptualiseerde instituties net weer wat anders. De een legt de nadruk op een sociologisch perspectief (Healey’s relationele blik op planning), de ander vindt dat instituties maar een kleine rol spelen (het liberale denken van Moroni). Sorensen keek dan weer naar de geschiedenis en padafhankelijkheden (Sorensen). Luca Bertolini neemt ook een evolutionair perspectief, maar benadrukt weer meer het belang van experimenten die bestaande instituties onder druk zetten. De sessie toonde aan dat er vele institutionele theorieën bestaan. De planologie ‘shopt’ veelvuldig in deze theorieën, maar iedere onderzoeker vist er net wat anders uit. Knap hoe Salet bij elkaar wist te brengen. Gegeven al die verschillende invalshoeken lijkt het boek dan ook een mooie introductie te worden voor geïnteresseerden in de rol van instituties in de planologie.

Het nieuwe normaal

neoliberalism

Een van mijn wetenschappelijke artikelen kwam deze week terug van het tijdschrift met de (gelukkig voorlopig positieve) beoordeling van een aantal anonieme reviewers. Het paper beschrijft onder andere hoe Rijkswaterstaat nadrukkelijk het gedachtegoed van ‘new public management’ heeft geïncorporeerd. Een van de reviewers was verbaasd over hoe ver Rijkswaterstaat daar in is gegaan (of gaat). Het overhevelen van verantwoordelijkheden richting de markt en het agentschap opereren als een bedrijf maakt dat Rijkswaterstaat veel meer een procesmanager is geworden in plaats nog op de (technische) inhoud te focussen. De reviewer liet de term ‘hollowing out of the state’ vallen. Ook op het AESOP congres, vorige week in Lissabon, was men kritisch over zulke neoliberale ontwikkelingen. Vaak moet ik bij presentaties hierover zuchten, omdat het naar mijn smaak regelmatig meer ideologie dan wetenschap is. Op AESOP werd desondanks terecht gesteld dat het neoliberalisme inmiddels zo genormaliseerd is dat we het gedachtegoed allemaal bewust of onbewust gebruiken. Voorbeelden zijn het denken in outputs (liefst SMART!) en principes als ‘value for money’. Het is belangrijk om te realiseren dat dit ‘nieuwe normaal’ niet altijd de norm is geweest – en dat het neoliberalisme aan bepaalde zaken meer waarde hecht dan andere. De wetenschap speelt hier wel degelijk een rol in, door deze ontwikkelingen kritisch te ontleden.

De toekomst is technologie

aesop2017.jpg

Simin Davoudi, hoogleraar aan Newcastle University (Verenigd Koninkrijk), hield een mooie openingsspeech op het jaarlijkse AESOP congres, dat op dit moment plaatsvindt in Lissabon. Haar verhaal richtte zich op verbeelding en het creëren van collectieve toekomstbeelden (social imaginaries). Vanuit een relationele blik bekijkt ze hoe gemeenschappen worden gevormd, die zich ook ruimtelijk manifesteren. Een vaak aangehaald voorbeeld is de natie-staat. Gedeelde beelden voor de toekomst zijn onmiskenbaar normatief: ze geven een beeld van hoe het zou moeten zijn. Er zit daarmee een duidelijke handelingscomponent in: als we deze richting op willen, dan zullen we daar naar handelen. Davoudi benoemde dan ook dat toekomstbeelden ‘self-fulfulling prophecies’ zijn. We moeten ze daarom kritisch ontleden en afvragen: willen we deze kant op? Deze vraag kon meteen worden beantwoord tijdens de tweede openingsspeech. José Manuel Viegas, secretaris-generaal van het Internationale Transport Forum (ITF; gelieerd aan de OESO), gaf een inkijkje in de toekomst van onze mobiliteitssystemen. Het ITF ziet veel in gedeelde automobiliteit (zoals de ‘taxibus’), slimme manieren van rekeningrijden en een duurzame vorm van planologie. Hoewel Viegas zei geen ‘technologie-believer’ te zijn, werden zijn voorbeelden sterk door technologie gedreven – alsof ze onontkomelijk zijn. Maar zoals Davoudi benadrukte: welke kant willen wij zelf als gemeenschap op?