Het IJ over

brugoverij

Heeft de gemeente Amsterdam twee petten op? Het Parool schreef eerder deze week dat de Amsterdamse gemeenteraad in grote meerderheid voor heeft gestemd voor een brug over het IJ om Amsterdam met Noord te verbinden. Het Rijk heeft liever een tunnel, omdat de brug de scheepvaart kan hinderen. Op dit moment wordt een gigantische zeesluis in IJmuiden gebouwd zodat de Amsterdamse haven en de cruiseterminal PTA grotere schepen kunnen ontvangen. Hier betalen de provincie Noord-Holland én de gemeente Amsterdam ruim aan mee. Zoals eerder in het Parool te lezen was: ‘Aan de voorkant zo’n grote investering doen en dan aan de achterkant nieuwe hobbels opwerpen…’ De gemeente is aandeelhouder van het Havenbedrijf Amsterdam en lijkt hiermee enigszins in de spagaat te zitten – maar voor zover mij bekend wordt dit nauwelijks genoemd in de media. Enerzijds de pontjes naar Noord willen ontlasten, anderzijds de economie stimuleren via de havens. De druk op Noord is blijkbaar zo hoog dat dit nu prevaleert. Mocht de brug er komen, dan pleit het Rijk voor een hoogte van 11,35 meter. Minister Schultz had het daarom al over een beklimming van de Mont Ventoux. De gemeente staat niet direct negatief tegenover die hoogte: “Als wij met 11,35 een hele hoop discussie wegnemen is dat het collectief belang, dan gaan we daar naar kijken”, aldus wethouder Van den Burg.

Advertenties

De Amsterdamse tuinsteden

Algemeen uitbreidingsplan Amsterdam

In het Amsterdamse gemeentearchief is nog tot en met 16 juli 2017 de tentoonstelling ‘Een betere stad: Amsterdam en het Algemeen Uitbreidingsplan’ te zien. In 1935 presenteerden de stedenbouwers, onder leiding van Cornelis van Eesteren, een groot ontwerp dat anticipeert op de grote bevolkingsgroei. Deze plannen werden na de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd. Het gaat om de westelijke tuinsteden als Bos en Lommer, Slotervaart en Osdorp rondom de nieuw gegraven Sloterplas. De ontwerpen zijn een interessante combinatie van Ebenezer Howard’s tuinsteden (groen opgezette, zelfstandige buurten in de buurt van stedelijke centra met wonen en werken gescheiden) en de functionele stad voortkomend uit de CIAM-stroming. Van Eesteren c.s. onderscheidden in het Algemeen Uitbreidingsplan vier functies: wonen, werken, recreatie en verkeer. (Verkeer vind ik altijd een vreemde eend in de bijt, als op zichzelf staande functie.) De nieuwe wijken, speciaal gericht op de arbeidersklasse, werden wijds opgezet, met veel groen, in strakke lijnen en met nieuwe bouwvormen. De verschillende kamers in de tentoonstelling laten de worsteling zien met deze ideeën: zo’n vijftig jaar later worden de wijken als eenvormig gezien en zijn de huizen niet meer van deze tijd. Tijd voor een herstructurering. Sommige huizen worden gesloopt, nieuwe huizen komen ervoor terug – wat leidt tot veel discussie in de buurt. De gemeente doet een stapje terug, de woningcorporaties krijgen een grotere rol. De herstructurering verloopt moeizaam door veel financiële problemen. Nu Amsterdam weer flink groeit zijn de westelijke tuinsteden een gewilde locatie geworden voor verdichting en hoogbouw. Verdwijnt zo het naoorlogse erfgoed en de oorspronkelijke opzet van de wijken?

Waar gaat het heen met de stad?

Stad

Onlangs bereikte Nederland de mijlpaal 17 miljoen inwoners. Het merendeel van hen zal in de stad leven. Welke kant gaat het op met verstedelijking in Nederland? De afgelopen weken is er in de media veel interessants over gezegd. Hier een kort overzicht. Zef Hemel (Universiteit van Amsterdam) beargumenteert vandaag op AT5 dat Amsterdam naar twee miljoen inwoners moet groeien, een verdubbeling. Alleen zo kan de hoofdstad internationaal meedoen met steden als Londen en Parijs. Coen Teulings (Universiteit van Cambridge en Amsterdam) komt in NRC Handelsblad vanuit een economisch perspectief tot eenzelfde conclusie. Er moet meer in de banaan Utrecht-Amsterdam-Haarlem-Leiden-Den Haag-Delft gebouwd worden – daar is er immers veel vraag. (Een interessante reactie hierop is overigens die van Wim Derksen (Erasmus Universiteit): Teulings vergeet dat ruimtelijk beleid iets wezenlijks anders is dan economisch beleid.) Naast al het succes van deze steden berichtte Verkeersnet daarentegen vorige week over nieuws van het CBS dat meer mensen vertrekken uit de grote steden. Friso de Zeeuw (TU Delft) en Rink Drost (Bureau Stedelijke Planning) verklaren in Het Financieele Dagblad deze trek naar randgemeenten als Purmerend, Hoofddorp en Nieuwegein, omdat mensen op zoek zijn naar “gewone, rustige buurten”. Mijn voorlopige conclusie: het besef is wel ingedaald dat sommige regio’s het beter doen dan andere (de wereld is niet plat), maar over de vraag hoe we de groeiende stadsregio’s willen vormgeven lijken twee ‘kampen’ te ontstaan. Gaan we voor verdichten en verhogen in de (binnen)steden, of zorgen we voor een goede inpassing van suburbanisatie rondom deze steden?

Bovenstaande illustratie is van Hein de Kort uit Het Financieele Dagblad (17 maart 2016).

Dag Albert Cuyp, hallo Achterhoek

maxwellcafe

Afgelopen weekend stond een leuk stuk van Hannah Jansen Morrison in Trouw over haar sprong van Amsterdam naar de Achterhoek. Hoewel de wereld in rap tempo verstedelijkt, is er ook een tegenbeweging op gang gekomen (counterurbanisation). Het gaat om stedelingen die naar het platteland verlangen – de rurale idylle – en de stad verlaten. Morrison’s interessantste observatie vond ik dat je op het platteland onderdeel wordt van de lokale gemeenschap, terwijl je in steden als Amsterdam alleen maar je ‘peer group’ tegenkomt. Ate Poorthuis en collega’s concludeerden eerder iets vergelijkbaars in een blog voor Ruimtevolk: “hoogopgeleide, jonge kenniswerkers (…) springen van binnenstad naar binnenstad”. Elke groep krijgt zo zijn eigen plekje in de stad, we komen elkaar steeds minder tegen. En inderdaad: ook ik stond afgelopen zaterdagavond vrolijk biertjes van Stadsbrouwerij ’t IJ te drinken in een hip café in Amsterdam-Oost, en met mij nog veel andere hoogopgeleide leeftijdsgenoten. Hoeveel van hen zullen net als Morrison de stap maken naar de Achterhoek?

Het stuk van Morrison is hier te lezen; het blog van Poorthuis en collega’s staat hier.