Verschillende institutionele brillen

spoorbrug zwolle.jpg

Op dit moment werk ik aan een theoretisch stuk over institutionele theorieën. Hoewel er vele ‘new institutionalisms’ zijn, onderscheid ik twee stromingen (gebaseerd op o.a. DiMaggio, 1998): eentje geworteld in de nieuwe institutionele economie, de ander in sociaal constructivisme. De nieuwe institutionele economie veronderstelt rationeel opererende actoren die maximaal nut nastreven; het sociaal constructivisme kijkt veel meer naar wat (groepen) mensen als passend beschouwen. Het samenbrengen van deze twee is enigszins ambitieus: het zijn twee grote, afzonderlijke wetenschappelijke velden. Mijn doel is dan ook niet om tot één overkoepelend raamwerk te komen waarin ik beide brillen integreer. Eerder wil ik de overeenkomsten en verschillen laten zien als je vanuit deze twee perspectieven redeneert. Ze hebben meer gemeen dan je in eerste instantie zou denken, bijvoorbeeld als je bedenkt dat transactiekosten in de nieuwe institutionele economie vaak gepercipieerde kosten zijn. Gezamenlijk leveren de twee brillen volgens mij dan ook een rijker (meer complementair) beeld op: organisaties kijken niet alleen naar efficiëntie of het bereiken van maximaal nut, maar ook wat legitiem is – daar kan dan uitkomen dat ze toch doorgaan met iets terwijl het inefficiënt is. Omgekeerd kan je het ook stellen: het nastreven naar efficiëntie beïnvloedt dominante discoursen. Tot zover even: veel ideeën, nu de uitwerking…

Instituties in de planologie

GemeenteUtrecht.jpg

In de klassieker The Death and Life of Great American Cities van Jane Jacobs is een aspect compleet afwezig: instituties. Seymour Mandelbaum beschrijft in een artikel uit 1985 dat planologie zich vroeger richtte op planologen die ingrepen doen in de leefomgeving voor een afnemer (burgers, gebruikers). De relatie tussen de planoloog en de afnemer stond centraal; het boek van Jacobs is daar een inspirerend voorbeeld van. De laatste 30 jaar wordt die interactie tussen planoloog en afnemer vaak ook op een andere manier bekeken. Het werk van de planoloog wordt namelijk sterk gestructureerd. Deze structuren zijn ontstaan door het oprichten van instituties. Denk aan formele instituties als wet- en regelgeving, en informele instituties als normen en waarden. De ‘institutional turn’ in planologie is goed terug te zien in het werk van populaire wetenschappers als Patsy Healey, Ernest Alexander en Judith Innes. De laatste heeft wel eens gezegd dat planologie institutional design is. Binnen onze vakgroep in Groningen is dit een belangrijk uitgangspunt: we bekijken institutionele transformaties, om daarmee ruimtelijke transformaties te kunnen duiden. Onze interpretatie van planologie schuurt daarom sterk tegen bestuurskunde aan. Met het echte fysieke ingrijpen in de omgeving doen we veel minder. Het boek van Jane Jacobs gaat voor mij dan ook weer terug naar de basis en onderstreept maar weer eens waar het uiteindelijk allemaal om draait in de planologie: het maken van goede ruimtelijke interventies.