Een dans van intenties en spontaniteit

horlingsinauguratie.jpg

Sinds vorig jaar is hoogleraar Ina Horlings onze nieuwe collega. Afgelopen dinsdag hield ze haar inaugurele rede in de Aula in Groningen. Het was mooi om te horen hoe ze haar idealen verbond met haar onderzoek. Centraal in haar oratie stonden twee vragen: waar doen we het als planologen voor en waarom? De mens en die waarden die hij of zij aan een plek hecht nemen dan ook een belangrijke rol in Horlings’ onderzoek. Haar nadruk ligt sterk op het intersubjectieve – wat mensen gezamenlijk overeenkomen. Ze voegde daarmee een belangrijk element toe aan hoe planologie door veel van mijn collega’s in Groningen wordt bedreven. Deze collega’s gebruiken een complexiteitsperspectief om de ontwikkeling van plekken te bekijken. Horlings stelt terecht dat de politieke aspiraties – in wat voor ’n plek willen we leven? – niet altijd terug te zien zijn met een complexiteitsbril op. Hoe kunnen we dan toch een bepaalde richting op? Plekken ontwikkelen zich voor een deel autonoom (zelforganiserend), en voor een deel intentioneel (met een bewust doel). In de woorden van Horlings: planologie kan worden begrepen als een dans tussen collectieve intenties en spontane verschijningen. Planologen moeten op gepaste afstand blijven en ruimte laten aan burgers en ondernemers. De vindingrijkheid van deze groepen draagt uiteindelijk bij aan de plekken waar we samen naar streven.

Planologie als kunst

Zef Hemel.jpg

Maak geen plannen, maar kunst. Het was de centrale boodschap van Zef Hemel (werkzaam voor de Amsterdam Economic Board en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam), die vandaag een prikkelende Planologielezing in Groningen hield. Aan de hand van zeven voorbeelden vertelde Hemel over zijn inspiratiebronnen (onder andere kunstenaar Ilja Kabakov en planoloog Patrick Geddes) en over de projecten waar hij de afgelopen jaren aan heeft gewerkt (Volksvlijt 2056 en Vrijstaat Amsterdam). Het gemeenschappelijke element in deze projecten was het stimuleren van dromen. Samen met kunstenaars werden Amsterdammers uitgedaagd te dromen over de toekomst. Stuur mensen de buurt in met een camera, zet ze bij elkaar en er ontstaan vanzelf verhalen en ideeën. Al die inspiratie hoeft niet worden omgezet in een gedeeld droombeeld. Aan consensus heeft Hemel een broertje dood, want er is immers niet één toekomst. De dromen hoeven ook niet in plannen te worden gegoten – dat werkt toch niet. De planologie van vandaag werd afgedaan als te bureaucratisch en te rationeel. Zelforganisatie zou leidend moeten zijn, waar de kunst bij helpt. De projecten van Hemel illustreerden welke bewegingen dromen op gang kunnen brengen. De zaal morde nog wat: wat blijft er over van de planoloog als we dromen niet mogen omzetten in plannen?

De wetenschap achter planologie

amsterdam cs

Is planologie überhaupt wel een wetenschap? Vorige week wierp ik deze vraag op tijdens een alumnibijeenkomst van mijn faculteit Ruimtelijke Wetenschappen (Rijksuniversiteit Groningen) bij Rijkswaterstaat in Utrecht. Hierbij een poging om mijn gedachten eens te ordenen. Om bij het begin te beginnen: ik zie planologie ten eerste als een vakgebied dat gericht is op interventies in de fysieke leefomgeving met het (normatieve) doel deze leefomgeving te willen verbeteren. Planologie als wetenschap zou je kunnen zien als de reflectie op de praktijk: het biedt kaders om te verklaren hoe en waarom bepaalde keuzes gemaakt zijn en hoe zich dat manifesteert in de ruimte. Planologische wetenschappers putten hiervoor uit theorieën afkomstig uit onder andere de geografie, bestuurskunde, politicologie, sociologie en economie. Ik kan me vinden in de emeritus hoogleraren Len de Klerk (Universiteit van Amsterdam) en Ton Kreukels (Universiteit Utrecht) die in Rooilijn (2015) stelden: “[h]et ‘eigene’ van planologie gaat hiermee meer de kant uit van het verbinden van verwante disciplines rond fysiek-ruimtelijke ordeningsvraagstukken dan van eigen theorieën over het (dis)functioneren van de ruimtelijke orde.” Planologie is ‘op zichzelf’ dus geen wetenschap; de praktijk is onlosmakelijk verbonden met de theorie. Veel van de hedendaagse planologische wetenschap houdt zich daarom bezig met het duiden van planologie als ‘sociale praktijk’.

Ondernemerschap: een bedreiging?

aesopya.jpg

Afgelopen week was ik op het AESOP Young Academics congres aan de Technische Universiteit München. Het thema dit jaar was planologie en ondernemerschap. In veel presentaties kwam de tegenstelling terug tussen de publieke zaak waar de planner voor staat en het kapitalisme en het winstbejag van ondernemers. Een wat ouderwetse tegenstelling vond ik zelf, waarin de planoloog al snel staat voor alles wat goed is en ondernemerschap voor het slechte. De realiteit is dat de twee sterk vervlochten zijn, zoals ook al lang vastgesteld in de planologie (zie bijvoorbeeld Ernest Alexander’s artikel uit 1992). De traditionele publiek-private rolverdeling ligt vaak ook een stuk genuanceerder. Wie is er nou echt ondernemend, stelt Mariana Mazzucato bijvoorbeeld in haar boek The Entrepreneurial State. De presentaties op het congres vond ik daarom, hoewel terecht, soms weinig verrassend: kijk uit met ondernemers, want zij dienen niet per se de publieke zaak. Planologen hebben desondanks nog steeds weinig kaas gegeten van de economie, aldus emeritus hoogleraar Klaus Kunzmann (Technische Universiteit Dortmund) in zijn presentatie. Hij beargumenteerde om economie een fermere plek te geven in het universitaire planologie-onderwijs om zo ruimtelijke ontwikkelingen beter te begrijpen.

Reflecties uit de eerste hand

ACSP.png

De planologie is een jonge wetenschap die pas echt opkwam na de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor was het bijvoorbeeld nog veel nauwer verwant aan de stedenbouw – denk aan de tuinsteden van Ebenezer Howard of de CIAM-beweging. De planologie ontwikkelde zich daarna snel. De eerste generatie planologie-wetenschappers zijn inmiddels wel met emeritaat, maar nog steeds duidelijk aanwezig. Godfathers en -mothers als John Friedmann, Patsy Healey en Andreas Faludi worden niet alleen veel aangehaald; ze gaan vaak gewoon vrolijk door met publiceren. Grote kans ook dat je ze op een congres als AESOP of ACSP tegenkomt waar zalen uitpuilen als een van hen op het programma staat: iedereen wil deze grootheden ook eens in levende lijve horen spreken. Tegelijkertijd beginnen deze namen ook terug te blikken op hun carrière en de ontwikkeling van de planologie, vaak na verzoeken van de jongere generatie. In het Journal of the American Planning Association is tegenwoordig de rubriek ‘Perspective’ te vinden, waar elke keer een andere hoogleraar reflecteert op zijn of haar carrière. Vorige maand verscheen ook eindelijk het boek Encounters in Planning Thought, waar ik in 2014 al een rondetafelgesprek over bijwoonde bij ACSP (zie foto). Zestien grootheden schreven voor dit boek een essay over hun “intellectuele reis”. Onmisbaar én noodzakelijk, volgens redactrice dr. Beatrix Haselsberger (TU Wien). Nu horen we de verhalen immers nog uit de eerste hand.

Bovenstaande foto is afkomstig van de website Planning Thought.

Planningstheorie voor de -praktijk

Ernest Alexander.jpg

Het wetenschappelijke tijdschrift Planning Theory vind ik altijd een interessante. Het is zo’n vijftien jaar geleden opgericht en is inmiddels een gerenommeerd tijdschrift waar grote namen als John Forester, Jean Hillier en Ernest Alexander in schrijven. Planologie is bij uitstek een praktijkwetenschap; in de woorden van Alexander, “planning is what planners do”. Dus waarom zou je willen publiceren in een tijdschrift als Planning Theory? Afgelopen week had ik de kans dit aan Ernest Alexander (emeritus hoogleraar aan de University of Wisconsin-Milwaukee) zelf te vragen te vragen, omdat hij vanwege de promotie van Arjan Hijdra in Groningen was. Zijn antwoord was simpel: planologiewetenschappers reflecteren op de planologiepraktijk. Het tijdschrift Planning Theory biedt de mogelijkheid de verschillende manieren van reflectie te behandelen. Voor het grotere publiek van planologen zullen de artikelen meestal niet interessant zijn, maar voor planologiewetenschappers wel. In Planning Theory worden perspectieven en concepten gepresenteerd die inzicht verschaffen in de planningspraktijk. De relevantie van zulke artikelen lijkt me helder. Toch bekruipt me soms het gevoel dat in dit tijdschrift de praktijk wat uit het oog verloren raakt, en er daardoor af en toe getheoretiseerd lijkt te worden, puur om het theoretiseren.

Een verdwenen Boterwaag

onzichtbaarnederland.png

Planologen smullen al weken van de tv-serie Onzichtbaar Nederland, uitgezonden door de VPRO op NPO1. Nadat we Nederland van boven zagen, zien we nu vooral hoe het vroeger was – en hoe dat nu nog in het landschap tot uiting komt. Het fraaist aan de serie zijn de overgangen tussen vroeger en nu. Neem Oss. Wie kent de stad nog als “bakermat van de margarine”? Eerst verdween al de Boterwaag in het centrum, later ook de fabrieken die margarine produceerden. Van deze historie is weinig meer te zien; het centrum is overgenomen door inwisselbare winkels als Kruidvat en Blokker. Eigenlijk laat elke aflevering wel zien hoe snel een plek kan veranderen. Prachtige ideeën nu kunnen over twintig jaar alweer hopeloos gedateerd blijken. Vind in die dynamiek maar je rol als planoloog. Voordat je het weet gooi je een woonwijk plat voor een industrieterrein dat er nooit komt. Vertaald naar mijn onderzoek: met het vervangen van infrastructurele kunstwerken leg je zeker voor de aankomende vijftig jaar de functie vast. Waar moet bijvoorbeeld een vaarweg dan aan voldoen? Maar misschien moet de planoloog zich niet zo’n zorgen maken. In Onzichtbaar Nederland is te zien dat, ondanks die ‘robuustheid’, plekken gemakkelijk aangepast kunnen worden aan nieuwe wensen. Wat rest, zijn een paar kleine littekens.