Instituties in de planologie

AESOP2017-1.jpg

De laatste dag van het AESOP congres in Lissabon hingen we met de benen buiten in een klein zaaltje waar hoogleraar Willem Salet (Universiteit van Amsterdam) een rondetafelgesprek leidde ter geleide van zijn boek Handbook on Institutions in action. Dit boek zal binnenkort bij Routledge verschijnen en is tot stand gekomen naar aanleiding van Salets emeritaat. De hoofdstukken in het boek zijn bijna allemaal geschreven door grote gevestigde namen (zoals Patsy Healey, Stefano Moroni en André Sorensen). Een paar auteurs namen deel aan de discussie in Lissabon en lichtte een tipje van de sluier in presentaties van slechts drie minuten. Elke presentator conceptualiseerde instituties net weer wat anders. De een legt de nadruk op een sociologisch perspectief (Healey’s relationele blik op planning), de ander vindt dat instituties maar een kleine rol spelen (het liberale denken van Moroni). Sorensen keek dan weer naar de geschiedenis en padafhankelijkheden (Sorensen). Luca Bertolini neemt ook een evolutionair perspectief, maar benadrukt weer meer het belang van experimenten die bestaande instituties onder druk zetten. De sessie toonde aan dat er vele institutionele theorieën bestaan. De planologie ‘shopt’ veelvuldig in deze theorieën, maar iedere onderzoeker vist er net wat anders uit. Knap hoe Salet bij elkaar wist te brengen. Gegeven al die verschillende invalshoeken lijkt het boek dan ook een mooie introductie te worden voor geïnteresseerden in de rol van instituties in de planologie.

Dag Leviathan

Leviathan.jpg

Afgelopen dagen vond de AESOP PhD Workshop 2017 in Aveiro (Portugal) plaats. Ook hier leken de planologen weer in een identiteitscrisis. Een quote in de presentatie van hoogleraar Alessandro Balducci (Politecnico di Milano) gaf deze crisis goed weer: “We try to control the urban context of the 21st Century, with the governments of the 20th Century, with the boundaries of the 19th Century.” De tijd dat planologen als een Leviathan kon ‘heersen’ zijn dus voorbij – iets wat terugkwam in de presentatie van Benjamin Davy (Technische Universität Dortmund). Dat besef is inmiddels wel doorgedrongen bij iedereen, maar wat kan of moet een planoloog dan doen? Alles relateert tegenwoordig aan elkaar, grenzen zijn fluïde geworden, vele partijen zijn betrokken bij het transformeren van plekken. Weet daar je weg maar in te vinden. Het is een prachtige paradox: de planologie, ontstaan om onze leefomgeving iets van coördinatie te bieden, voelt die coördinatie uit die vingers glippen. Fernando Nogueira (Universidade de Aveiro) verwoordde het volgens mij dan ook goed: de planoloog moet vooral nederig zijn.

Een dans van intenties en spontaniteit

horlingsinauguratie.jpg

Sinds vorig jaar is hoogleraar Ina Horlings onze nieuwe collega. Afgelopen dinsdag hield ze haar inaugurele rede in de Aula in Groningen. Het was mooi om te horen hoe ze haar idealen verbond met haar onderzoek. Centraal in haar oratie stonden twee vragen: waar doen we het als planologen voor en waarom? De mens en die waarden die hij of zij aan een plek hecht nemen dan ook een belangrijke rol in Horlings’ onderzoek. Haar nadruk ligt sterk op het intersubjectieve – wat mensen gezamenlijk overeenkomen. Ze voegde daarmee een belangrijk element toe aan hoe planologie door veel van mijn collega’s in Groningen wordt bedreven. Deze collega’s gebruiken een complexiteitsperspectief om de ontwikkeling van plekken te bekijken. Horlings stelt terecht dat de politieke aspiraties – in wat voor ’n plek willen we leven? – niet altijd terug te zien zijn met een complexiteitsbril op. Hoe kunnen we dan toch een bepaalde richting op? Plekken ontwikkelen zich voor een deel autonoom (zelforganiserend), en voor een deel intentioneel (met een bewust doel). In de woorden van Horlings: planologie kan worden begrepen als een dans tussen collectieve intenties en spontane verschijningen. Planologen moeten op gepaste afstand blijven en ruimte laten aan burgers en ondernemers. De vindingrijkheid van deze groepen draagt uiteindelijk bij aan de plekken waar we samen naar streven.

Planologie als kunst

Zef Hemel.jpg

Maak geen plannen, maar kunst. Het was de centrale boodschap van Zef Hemel (werkzaam voor de Amsterdam Economic Board en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam), die vandaag een prikkelende Planologielezing in Groningen hield. Aan de hand van zeven voorbeelden vertelde Hemel over zijn inspiratiebronnen (onder andere kunstenaar Ilja Kabakov en planoloog Patrick Geddes) en over de projecten waar hij de afgelopen jaren aan heeft gewerkt (Volksvlijt 2056 en Vrijstaat Amsterdam). Het gemeenschappelijke element in deze projecten was het stimuleren van dromen. Samen met kunstenaars werden Amsterdammers uitgedaagd te dromen over de toekomst. Stuur mensen de buurt in met een camera, zet ze bij elkaar en er ontstaan vanzelf verhalen en ideeën. Al die inspiratie hoeft niet worden omgezet in een gedeeld droombeeld. Aan consensus heeft Hemel een broertje dood, want er is immers niet één toekomst. De dromen hoeven ook niet in plannen te worden gegoten – dat werkt toch niet. De planologie van vandaag werd afgedaan als te bureaucratisch en te rationeel. Zelforganisatie zou leidend moeten zijn, waar de kunst bij helpt. De projecten van Hemel illustreerden welke bewegingen dromen op gang kunnen brengen. De zaal morde nog wat: wat blijft er over van de planoloog als we dromen niet mogen omzetten in plannen?

De wetenschap achter planologie

amsterdam cs

Is planologie überhaupt wel een wetenschap? Vorige week wierp ik deze vraag op tijdens een alumnibijeenkomst van mijn faculteit Ruimtelijke Wetenschappen (Rijksuniversiteit Groningen) bij Rijkswaterstaat in Utrecht. Hierbij een poging om mijn gedachten eens te ordenen. Om bij het begin te beginnen: ik zie planologie ten eerste als een vakgebied dat gericht is op interventies in de fysieke leefomgeving met het (normatieve) doel deze leefomgeving te willen verbeteren. Planologie als wetenschap zou je kunnen zien als de reflectie op de praktijk: het biedt kaders om te verklaren hoe en waarom bepaalde keuzes gemaakt zijn en hoe zich dat manifesteert in de ruimte. Planologische wetenschappers putten hiervoor uit theorieën afkomstig uit onder andere de geografie, bestuurskunde, politicologie, sociologie en economie. Ik kan me vinden in de emeritus hoogleraren Len de Klerk (Universiteit van Amsterdam) en Ton Kreukels (Universiteit Utrecht) die in Rooilijn (2015) stelden: “[h]et ‘eigene’ van planologie gaat hiermee meer de kant uit van het verbinden van verwante disciplines rond fysiek-ruimtelijke ordeningsvraagstukken dan van eigen theorieën over het (dis)functioneren van de ruimtelijke orde.” Planologie is ‘op zichzelf’ dus geen wetenschap; de praktijk is onlosmakelijk verbonden met de theorie. Veel van de hedendaagse planologische wetenschap houdt zich daarom bezig met het duiden van planologie als ‘sociale praktijk’.

Ondernemerschap: een bedreiging?

aesopya.jpg

Afgelopen week was ik op het AESOP Young Academics congres aan de Technische Universiteit München. Het thema dit jaar was planologie en ondernemerschap. In veel presentaties kwam de tegenstelling terug tussen de publieke zaak waar de planner voor staat en het kapitalisme en het winstbejag van ondernemers. Een wat ouderwetse tegenstelling vond ik zelf, waarin de planoloog al snel staat voor alles wat goed is en ondernemerschap voor het slechte. De realiteit is dat de twee sterk vervlochten zijn, zoals ook al lang vastgesteld in de planologie (zie bijvoorbeeld Ernest Alexander’s artikel uit 1992). De traditionele publiek-private rolverdeling ligt vaak ook een stuk genuanceerder. Wie is er nou echt ondernemend, stelt Mariana Mazzucato bijvoorbeeld in haar boek The Entrepreneurial State. De presentaties op het congres vond ik daarom, hoewel terecht, soms weinig verrassend: kijk uit met ondernemers, want zij dienen niet per se de publieke zaak. Planologen hebben desondanks nog steeds weinig kaas gegeten van de economie, aldus emeritus hoogleraar Klaus Kunzmann (Technische Universiteit Dortmund) in zijn presentatie. Hij beargumenteerde om economie een fermere plek te geven in het universitaire planologie-onderwijs om zo ruimtelijke ontwikkelingen beter te begrijpen.

Reflecties uit de eerste hand

ACSP.png

De planologie is een jonge wetenschap die pas echt opkwam na de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor was het bijvoorbeeld nog veel nauwer verwant aan de stedenbouw – denk aan de tuinsteden van Ebenezer Howard of de CIAM-beweging. De planologie ontwikkelde zich daarna snel. De eerste generatie planologie-wetenschappers zijn inmiddels wel met emeritaat, maar nog steeds duidelijk aanwezig. Godfathers en -mothers als John Friedmann, Patsy Healey en Andreas Faludi worden niet alleen veel aangehaald; ze gaan vaak gewoon vrolijk door met publiceren. Grote kans ook dat je ze op een congres als AESOP of ACSP tegenkomt waar zalen uitpuilen als een van hen op het programma staat: iedereen wil deze grootheden ook eens in levende lijve horen spreken. Tegelijkertijd beginnen deze namen ook terug te blikken op hun carrière en de ontwikkeling van de planologie, vaak na verzoeken van de jongere generatie. In het Journal of the American Planning Association is tegenwoordig de rubriek ‘Perspective’ te vinden, waar elke keer een andere hoogleraar reflecteert op zijn of haar carrière. Vorige maand verscheen ook eindelijk het boek Encounters in Planning Thought, waar ik in 2014 al een rondetafelgesprek over bijwoonde bij ACSP (zie foto). Zestien grootheden schreven voor dit boek een essay over hun “intellectuele reis”. Onmisbaar én noodzakelijk, volgens redactrice dr. Beatrix Haselsberger (TU Wien). Nu horen we de verhalen immers nog uit de eerste hand.

Bovenstaande foto is afkomstig van de website Planning Thought.