Opnieuw onderscheidend

Soulwax.jpg

De Belgische broertjes Dewaele, het hart van de band Soulwax, blijven zichzelf opnieuw uitvinden. Hun nieuwe album From Deewee, vorige week uitgekomen, is weer net wat anders dan hun vorige werk. Voor mij zijn het een van de weinige artiesten die zichzelf opnieuw kunnen uitvinden – en daardoor reken ik ze tevens tot een van de grotere. Als ik andere artiesten moet noemen die dat gelukt is, kom je al snel terecht in de categorie David Bowie of Prince, of – van de bands van nu – misschien Arcade Fire of Radiohead. In de wetenschap geldt iets vergelijkbaars. Er zijn weinig onderzoekers die zich opnieuw hebben uitgevonden: veel onderzoekers hebben, in de kern, één grote bijdrage gemaakt. In hun latere carrière bouwen ze daar op voort, of werken ze het verder uit. Een kleinere groep weet meerdere bijdragen te doen; een enkeling zelfs drie of meer. Net als dat je bij Soulwax, ondanks de nieuwe ingeslagen weg, hun geluid weet te herkennen, kan je dat ook bij wetenschappers. Het leuke aan promoveren is dat je daar steeds beter in wordt, en dat je het geluid beter kan plaatsen. Dat is stap één. Stap twee is om, in die kakofonie van geluiden, je eigen, onderscheidende geluid weten te creëren.

 

De diepte in

Cal Newport

De afgelopen weken heb ik veel geschreven aan mijn wetenschappelijke artikelen: iets wat vraagt om ‘diep werk’. Cal Newport (2016: 8) omschrijft het in zijn boek als “professionele activiteiten die het uiterste van je cognitieve vaardigheden vergen en die in een toestand van afleidingloze concentratie worden uitgevoerd.” Voor kenniswerkers in het algemeen is het vermogen diep werk te kunnen verrichten essentieel, omdat het een schaars goed is. Newport, docent aan de Universiteit van Georgetown (VS), ontwikkelde zijn ideeën op zijn blog, die vorig jaar zijn verschenen in boekvorm. Hij is vooral een man van de structuur: plan vaste momenten (per dag, per week, per jaar) in om diep werk te verrichten. Ook is hij streng over allerlei afleiding op kantoor: e-mailen, vergaderingen en sociale media moeten tot een minimum beperkt worden. Drukheid is namelijk een alibi voor productiviteit; je agenda en je hoofd moeten leeg raken om in een ‘diep werk’-mindset te komen. Soms is het me allemaal wat te rationeel beredeneerd, maar confronterend is het wel. Gelukkig halen goede kenniswerkers ‘slechts’ maximaal vier uur ‘diep werk’ op een dag. Daaromheen mag je dus best afspraken plannen of e-mails versturen – wel is het handig die uren niet te worden onderbroken.

De Nederlandse vertaling van Cal Newport’s boek heet Diep Werk: Werken met aandacht in een wereld vol afleiding en is uitgegeven door Business Contact.

Uit het moeras

PhdComics.jpg

“Echt leuk is er natuurlijk niets en dat is maar goed ook,” schreef Remco Campert vorige week als Somberman in de Volkskrant. Is dit de essentie van een promotietraject? Elke promovendus lijkt op zijn minst één keer verstrikt te raken in zijn onderzoek. Inmiddels ben ik er wel achter dat ik niet de enige ben. Het is een fijne gedachte dat de rest – mijn medepromovendi – in hetzelfde schuitje zit, als je bijvoorbeeld weer eens een volgepropte en slecht gestructureerde presentatie bijwoont of een paper leest dat alle kanten op schiet. Stug doorgaan is het devies – luctor et emergo: ik worstel en ik kom boven. Eerstejaarsstudenten waarschuwde ik vorige week in een gastcollege voor de forse voorbereidingstijd die je nodig hebt voor het doen van goed onderzoek. In mijn geval: er gaan maanden aan vooraf voordat er een artikel ligt dat goed genoeg is om op te sturen naar een internationaal tijdschrift, wat uiteindelijk misschien tien of twaalf pagina’s telt. Ook al gebruik je meer dan de helft van de gelezen literatuur niet, je moet het wel hebben gelezen om er boven te staan. Uiteindelijk ontworstel je je aan het moeras. Niet vanzelf, maar met pijn en moeite. Ik hoor mijn begeleider Somberman al echoën: en dat is maar goed ook.

Bovenstaande afbeelding is afkomstig van Jorge Cham / PhDcomics.com.

Zelforganisatie in China

Shuhai thesis

Morgen promoveert collega Shuhai Zhang in Groningen. (Overigens voor de tweede keer, hij heeft al een dokterstitel van Peking University uit 2013.) Zijn proefschrift gaat in op hoe autonoom stedelijke verandering eigenlijk optreedt. We plannen wat af, maar slechts een deel daarvan zien we uiteindelijk om ons heen. Veel ontstaat onbedoeld door ons handelen, of ontstaat spontaan buiten ons om. Shuhai heeft een framework ontwikkeld om dit soort ontwikkelingen van zelforganisatie te kunnen bekijken en duiden. Dit doet hij in verschillende case studies in en rondom Beijing (China). De planologie speelt geen controlerende rol meer, maar creëert hooguit de condities waarbinnen zelforganisatie plaatsvindt. Eén van Shuhai’s aanbevelingen stelt dat we af moeten van ‘getting things under control’, en juist ‘getting ready for change’. Ogenschijnlijk tegenstrijdig klinkt dit, voor mij als leek van China, wat nog steeds graag de touwtjes strak in handen lijkt te willen hebben.

De verdediging van Shuhai begint om 11.00 en vindt plaats in de aula van het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen (Broerstraat 5). Het proefschrift is hier te lezen.