10 jaar RWS-RUG samenwerking

duurzame infra ontwikkeling jos arts.png

Morgen vindt het symposium Duurzame Netwerken plaats in Groningen, ter ere van de 10-jarige samenwerking tussen Rijkswaterstaat en de afdeling planologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Rijkswaterstaat heeft vele samenwerkingen met universiteiten, van oudsher vooral met de technische universiteiten. De samenwerking met Groningen ontstond nadat de leefomgeving binnen Rijkswaterstaat een centrale positie kreeg. Het ging niet alleen maar om het trekken van een weg van A naar B, maar er moest oog voor de omgeving komen. Want, zoals mijn hoogleraar Jos Arts in zijn oratie in 2007 stelde, “er is behoefte aan nieuwe wegen, maar de planvorming voor aanleg van die wegen loopt vast.” De opleiding Technische planologie in Groningen leidde altijd al veel studenten voor Rijkswaterstaat op, met haar aandacht voor infrastructuurplanning, naast milieu- en waterbeheer. De RWS-RUG samenwerking bestaat inmiddels uit een groep onderzoekers die kijken naar onder andere gebiedsgericht werken, publiek-private samenwerking, de integratie van nieuwe velden als energie en duurzaamheid met infrastructuur, en de herontwikkeling van infrastructuurnetwerken. Naast langere promotietrajecten wordt er ook allerlei projectonderzoek uitgevoerd. Een win-winsituatie: Rijkswaterstaat heeft een rijke en relevante praktijk waarbinnen het fijn onderzoek doen is voor wetenschappers, de Rijksuniversiteit Groningen biedt de ruimte voor reflectie en kan huidige (en toekomstige) ontwikkelingen duiden.

Advertenties

Zekerheid uitschakelen

Beatrixsluis.jpg

Hoewel de wereld een stuk onvoorspelbaarder zich ontwikkelt dan iedereen denkt, houden we halsstarrig vast aan het creëren van zekerheid. Recent verscheen een van mijn onderzoeksartikelen online in het wetenschappelijke tijdschrift Environment and Planning C over mijn onderzoek binnen het Sluizenprogramma van het agentschap Rijkswaterstaat. Ook in de beleidsdocumenten van Rijkswaterstaat is te lezen dat de maatschappij complex is en dat Rijkswaterstaat hier op moet anticiperen. Als je eenmaal in de projecten belandt, blijft hier weinig van over. Projectdoelen moeten gehaald worden en alles buiten de projectscope wordt afgedaan als irrelevant. Het dominante denken binnen Rijkswaterstaat benadrukt dat betrouwbaar opereren en kosteneffectief werken leidend zijn. Door het incorporeren van het New Public Management-gedachtegoed is dit verder verstevigd. Het Sluizenprogramma is daarvan een mooi voorbeeld. Het programma bestaat uit zes projecten die elk één sluis aanpakken: ‘kleintjes’ zoals Limmel en Eefde, en grote jongens als de Zeetoegang IJmond en de Nieuwe Sluis Terneuzen. Als ‘multi-project’ wisselen ze kennis, ervaringen, en mensen uit om de contractvoorbereiding van de projecten te perfectioneren. Omgaan met onzekerheid lijkt echter om een andere manier van denken te vragen dan die nu dominant is. Nu blijkt uit mijn onderzoek dat het dominante gedachtegoed vooral versterkt wordt. Er zou daarom bewust gezocht kunnen worden naar een nieuw gedachtegoed (met eigen praktijken), waarin meer ruimte is voor ambiguïteit en dynamiek.

Het nieuwe normaal

neoliberalism

Een van mijn wetenschappelijke artikelen kwam deze week terug van het tijdschrift met de (gelukkig voorlopig positieve) beoordeling van een aantal anonieme reviewers. Het paper beschrijft onder andere hoe Rijkswaterstaat nadrukkelijk het gedachtegoed van ‘new public management’ heeft geïncorporeerd. Een van de reviewers was verbaasd over hoe ver Rijkswaterstaat daar in is gegaan (of gaat). Het overhevelen van verantwoordelijkheden richting de markt en het agentschap opereren als een bedrijf maakt dat Rijkswaterstaat veel meer een procesmanager is geworden in plaats nog op de (technische) inhoud te focussen. De reviewer liet de term ‘hollowing out of the state’ vallen. Ook op het AESOP congres, vorige week in Lissabon, was men kritisch over zulke neoliberale ontwikkelingen. Vaak moet ik bij presentaties hierover zuchten, omdat het naar mijn smaak regelmatig meer ideologie dan wetenschap is. Op AESOP werd desondanks terecht gesteld dat het neoliberalisme inmiddels zo genormaliseerd is dat we het gedachtegoed allemaal bewust of onbewust gebruiken. Voorbeelden zijn het denken in outputs (liefst SMART!) en principes als ‘value for money’. Het is belangrijk om te realiseren dat dit ‘nieuwe normaal’ niet altijd de norm is geweest – en dat het neoliberalisme aan bepaalde zaken meer waarde hecht dan andere. De wetenschap speelt hier wel degelijk een rol in, door deze ontwikkelingen kritisch te ontleden.

Nieuwe natuur door techniek

MarkerWadden.jpeg

Op 15 maart a.s. kan er ook gestemd worden op de Marker Wadden. De gemeente Lelystad zet speciaal een stemhokje op het onbewoonde eiland, meldt Trouw. Het eerste eiland is inmiddels zo goed als af, voor de volgende vier is de financiering rond. De Marker Wadden zijn bedacht om weer leven in het Markermeer te blazen. In deze dichte bak water was weinig flora en fauna meer te vinden. Natuurmonumenten, Rijkswaterstaat en Boskalis hebben een uniek project gerealiseerd waarin natuurontwikkeling en waterbouwtechniek samenkomen. Zoals Minister Schultz ook benadrukte, dit nieuwe land is niet gecreëerd voor economisch gewin (Tweede Maasvlakte) of om bevolkingsgroei op te vangen (Flevoland). De Marker Wadden zijn vooral gecreëerd voor de natuur. “God schiep de aarde, maar de Nederlanders schiepen Nederland”, met nu weer een nieuw hoofdstuk. Het eerste nieuwe leven is al gesignaleerd op het kale zandeiland. Uiteraard (zoals bijna overal in Nederland) wordt de natuur ook toegankelijk gemaakt voor recreanten. Binnenkort verschijnen er wandelpaden, uitkijktorens, een jachthaven en kinderspeelplaats. Vanaf 2018 is het eiland echt open voor bezoekers. Rond 2020 moeten de volgende vier eilanden gerealiseerd zijn. Ondertussen is de hoop om dit bijzondere project ook in het buitenland te kunnen uitventen.

Een andere blik op de stuw

stuw-grave1

De stuw in Grave blijft de gemoederen bezig houden. Vandaag berichtte de NOS dat Rijkswaterstaat als noodoplossing een tijdelijke dam bij de stuw neerlegt. Het is vooral het verhaal hoe één ‘nat kunstwerk’ grote effecten heeft voor de rest van het vaarwegennet. De stuw stamt uit 1928. Rijkswaterstaat is daarom al een tijdje bezig om te kijken hoe het hele stuwencomplex in de Maas – in Grave ligt één van de zeven stuwen – kan worden aangepakt. Vanaf 2025 is de verwachting om hier echt aan de slag te gaan. Naast dat er nu natuurlijk snel een tijdelijke oplossing moet worden verzonnen, is het ook een goed moment om te kijken hoe we de Maascorridor willen inrichten naar de wensen van nu én de toekomst. Breder vervangen noemde ik dat eerder. De vele aandacht voor de vaarwegen deze weken lijkt een mooie aanleiding om zo’n bredere discussie te starten. Veel mensen hebben wel een mening over een snelweg, maar vaarwegen leven veel minder. Tijd om dat te veranderen. Waar zou volgens u de vaarweg voor kunnen dienen, als we binnenkort hier mee aan de slag gaan?

Breder vervangen

stuw grave.jpg

Bezig met een ronde interviews merk ik dat de vervangingsopgave in de vaarwegen veel meer is gaan leven. In het Infrafonds heeft de Minister van Infrastructuur & Milieu in juni dit jaar het extra beschikbare geld in eerste instantie geoormerkt voor vervanging en renovatie en beheer en onderhoud. Ook heeft Rijkswaterstaat een nieuwe strategische visie ontwikkeld voor vervanging en renovatie. Vervanging en renovatie eist zo nadrukkelijker zijn plek op tussen aanleg en regulier beheer en onderhoud. Vervanging wordt nu vaak vanuit technisch oogpunt aangevlogen. Rijkswaterstaat brengt in kaart wanneer een infrastructureel object (zoals een sluis of stuw) ‘technisch einde levensduur’ is, ofwel wanneer de constructie ‘afgeschreven’ is. (Dit kan versneld worden door intensiever gebruik dan verwacht; zie de problematiek rondom de Merwedebrug.) Rijkswaterstaat vraagt vervolgens budget van het Ministerie om het object te vervangen. Dit resulteert vaak in een nieuw object op dezelfde plaats dat dezelfde prestaties of functies levert – ook wel ‘1-op-1 vervanging’. In de nieuwe strategische visie wordt er nu explicieter een afweging gemaakt tussen ‘1-op-1 vervanging’, levensverlengende maatregelen (zodat een stuw bijvoorbeeld nog tien jaar langer mee kan), of het toevoegen van extra functies. Deze afweging is gestoeld op een analyse van het omliggende gebied (met welke ruimtelijke ontwikkelingen zouden we kunnen ‘meekoppelen’?), en van het grotere systeem (wat willen we met deze vaarwegcorridor?). Van een interne gelegenheid tussen Rijkswaterstaat en het Ministerie, wordt het vervangen van een object daarmee meer een maatschappelijke kwestie: een kwestie waar logistieke partners, schippers, regionale overheden ook een mening over hebben. Maar hoe organiseer je zo’n proces waarin alle belangen worden meegenomen en afgewogen? Dat is nu de zoektocht.

Een luisterend oor?

omgevingsmanagement.jpg

NRC Handelsblad zette afgelopen woensdag de omgevingsmanagers van Rijkswaterstaat in het zonnetje. Zoals de kop het mooi samenvat: ‘de ingenieur heeft leren luisteren’. Omwonenden, bedrijven en lokale overheden eisen meer inspraak in het plannen en realiseren van infrastructuur. Deze golf van democratisering is al ingezet sinds de jaren ’70. Tegenwoordig heeft elk project zijn eigen omgevingsmanager. Deze manager onderhoudt het contact met de omgeving en probeert hun wensen zoveel mogelijk te verwezenlijken in de plannen. Als we kijken naar de participatieladder van Sherry Arnstein zien we dus dat Rijkswaterstaat langzaam een paar treetjes omhoog schuift. In hoeverre je echt van participatie kan spreken blijft de vraag. Omgevingsmanagement betekent vooral voorlichten en consulteren. Maar tot zekere hoogte kunnen omwonenden dus meepraten. De omgevingsmanager wordt vooral ingezet om de ‘hindermacht’ te beperken en te zorgen dat het project soepeltjes uitgevoerd kan gaan worden. Echt interessant wordt het als omwonenden actief mee kunnen gaan praten over tracébesluiten, maar dit gebeurt (nog) niet. Gemeenten experimenteren hier wel al veel meer mee, vaak op kleinere schaal uiteraard. Zouden deze lessen ook op hogere schaalniveaus, dus richting Rijkswaterstaat, kunnen worden toegepast?